
Toen onze dochter deze stap ging
zetten, zei ik tegen haar dat ik zelf ook Latijn zou gaan doen op dat
avondonderwijs om haar tot steun te kunnen zijn. Zo gezegd, zo
gedaan en Jan toog naar de Noordendijk om te proberen klassiek
geschoold te raken. Daar maakte ik kennis met Ton, laat ik hem
Antonius noemen. Leraar klassieke talen aan het Newman College in
Breda die in Dordrecht wat bijschnabbelde.
Gelukkig maar. Met hem ben ik bevriend geraakt en nu nog ontmoeten
wij elkaar hoewel het nu meer over vissen gaat. Antonius is intussen
ook in een vutregeling verzeild geraakt en dat bevalt hem goed.
Marcus Aurelius
161-180 na C. De eerste lesavond was er een van
grote schrik. Er was de droge mededeling dat wij de eerste 40
hoofdstukken van de woordenlijst Latijn uit ons hoofd dienden te
kennen. Naast al het andere natuurlijk en ik dacht: "dat red ik
nóóit!!". Maar Antonius stelde ons gerust en voorspelde dat indien wij
dagelijks kort zouden trainen dit gewoon zou lukken. Het is gebleken
dat hij geen onwaarheid sprak. Dat doet`ie meestal ook niet.
Tijdens dat eerste jaar raakte ik enorm geïnteresseerd in alles wat
Rome en Italië betreft. Door het Nederlands was er al het besef dat
ontzettend veel van onze taal en cultuur voortkomt uit dat oude
Italië en dat werd met het Latijn alleen maar erger. In de maanden
die volgden, bleek dat Antonius om de twee jaar met zijn vierde- en
vijfdeklassers een reis naar Rome maakte. Niet zomaar een
snoepreisje maar een soort studiereis waarin gewerkt werd en waarna
verslag diende te worden gelegd. Dit als extra bij de scholing in
Latijn en Grieks.
Meteen de vraag gesteld of wij
als oudere jongeren aan zo`n reis deel konden nemen.
Onder bepaalde
voor waarden kon dat en in 1990 was het feit daar. Jan ging mee als
begeleider naar Rome. Voor mij had dat een bijkomend voordeel want
in die tijd was ik ook begonnen aan een cursus Italiaans bij de
Volksuniversiteit. Een mooie gelegenheid om er mee te oefenen.
In mijn herinnering waren wij die eerste reis met vijf begeleiders
en zesentwintig leerlingen. Je schrijft altijd te weinig op en je
maakt altijd te weinig of de verkeerde plaatjes als het om dit soort
gegevens gaat.
In de loop der jaren had Antonius een programma ontwikkeld dat goed
en strak in elkaar stak. Dat betekende op tijd opstaan. Op tijd
ontbijten in de eetzaal van het
Ostello di Gioventu "Foro Italico"
vlakbij het Olympisch Stadion. Dan op tijd en per bus vertrekken
naar het centrum van Rome. Elke dag een programma van lopen en
allerlei zaken bekijken die regelrecht uit de oude tijden stammen.
In de vier jaar dat ik mee ben
gereisd, is er op zich niet zoveel veranderd in dat programma en dat
geeft helemaal niets. Iedere keer dat ik bijvoorbeeld de
San Ignazio,
een Jezuïtenkerk, binnenstapte
en rondkeek, zag ik steeds weer andere dingen en details die mij de
vorige keer niet waren opgevallen.
Het eerste jaar was ik een beetje
overweldigd door al die oudheid, al dat fraais op elk terrein. De
bouwkunst, de schilderkunst, de beeldhouwkunst wat al niet. Het
tweede jaar viel mij meer het verval op, de soms slechte staat van
onderhoud, het vuil in de stad, de zwervers en lieden waar je voor
op moest passen zoals in elke grote stad.
Dat was meteen één van mijn
hoofdtaken als begeleider. Meestal liep ik achteraan de groep en kon
zo de boel in de gaten houden. Als "vreemde elementen" zich in de
groep wilden begeven dan werd er meteen ingegrepen. Dat kon een
jonge Italo zijn die wel wat in zo`n blondje zag of de gekleurde
medemens die iets van nul en gener waarde voor liefst veel geld
wenste te slijten. Helemaal wanneer de groep wat diffuus werd bij
bezoek aan bijvoorbeeld het
Pantheon was het extra opletten
geblazen. Sommige meisjes hadden niet in de gaten dat zij wat
afgescheiden werden van de groep en soms "ingekapseld" raakten door
een groepje van die snuiters. Als ik er tijd voor had, liet ik dat
wel eens zien aan de andere dametjes om ze te wijzen op wat er met
ze kon gebeuren. Dat werkte wel goed. Maar ook het aansporen en
opjutten van de dames en heren die niet al te geïnteresseerd en dus
achterop raakten, was een vruchtbare en soms ondankbare taak.
De Boog van Titus met uitleg van Antonius (links) aan de
groep.
De opleiding die de leerlingen
volgden, maakt natuurlijk dat je met een ander publiek te maken hebt
dan een willekeurige groep jongelui van een willekeurige VMBO. Niets
ten nadele daarvan
, maar het is duidelijk anders. Met name mijn
tweede reis was er een met een groep "leerpikken". Een behoorlijk
serieuze groep en die gaf ook de minste last. Er werd steeds
opgelet, men dwaalde niet af en dat maakte mijn werk als bezemwagen
van de groep wel zo eenvoudig. De eerste groep was wel de
spontaanste, ook wel serieus maar er was altijd wel een vonk die de
boel kon laten ontbranden op een leuke manier. En ja, er was ook wel
een groep waar je echt veel werk aan had. Een gedeelde groep waarvan
een kleiner deel zeer weinig interesse toonde en alleen oog had voor
"leuke" dingen.
Hier rechts ziet u dat ik mijn taak als
Centurion zeer
serieus nam.
Op het Forum Romanum overzie ik (jaja, mét stropdas) in 1994 mijn
troepen. Terwijl Antonius doceert en zijn echtgenote rechts meehelpt
opletten. Op deze reis was zij ook mee als begeleidster. Laten we
haar Alkestis noemen, naar de dochter van koning Pelias.

Eén van die leuke dingen was
dat na de avondmaaltijd de dames en heren op eigen gelegenheid de
stad in mochten. Dat verliep meestal zo dat men de eerste avond wat
angstvallig op de begeleiders wachtte zodat men met hen naar de stad
kon. De tweede avond wist men de weg wel en waren wij niet meer
nodig. Eén van de orders was dat ze niet alleen weg mochten maar
altijd met een groepje.
De jongelui kregen wel een eindtijd mee en
daar werd behoorlijk strikt de hand aan gehouden. Een leuke
happening was het om tegen "sluitingstijd" in de hal van de
jeugdherberg te gaan zitten om de boel op te vangen. Nello, één van
de nachtwakers was een happening op zich. Die man ging op een
prachtige manier met het volkje om.
Er was eigenlijk maar één
nadeel aan de plaats van de jeugdherberg. Hij ligt aan een
belangrijke aan- en afvoerweg van Rome.
De Lungotevere Maresciallo Cadorna. Zodoende was het echt nodig
om aan die kant met oordoppen te slapen. Een ander nadeel was de
hoofd- en keelpijn die ik nogal eens had vanwege de uitlaatgassen
die er bij warmte in zo`n stad hangen. De eerste keer meende ik een
verkoudheid te hebben opgelopen, maar door het uitblijven van slijm
en snot werd mij al gauw duidelijk waar de oorzaak lag. Eén jaar zijn
wij in de herfst geweest terwijl het nog ruim dertig graden was in
de stad. Dan merk je wel wat smog is.
Verder niets dan lof over deze
stad. Je kunt van de supermoderne wijk de
EUR tot in de tijd van
Romulus en Remus kijken. Van Sint Pieter tot Colosseum, van
Catacomben tot Piazza Navona, van Trevifontein tot
Circus Maximus,
van "Palazzi" tot
Villa Borghese. Het is er een eeuwig feest van
musea, ruïnes, paleizen, enorme beelden, pleinen vol mensen, bekende
sterren op Piazza di Spagna, eten en drinken, espresso in
Caffè Greco,
slenteren, zere voeten en de hele dag verkeer en sirenes die gaan
tot diep in de nacht.
Een stad ook die kan stinken en die warm en
benauwd kan zijn met exorbitante prijzen op de "hotspots" maar zeer
gematigde daar om de hoek.
Maar vanaf de eerste keer voelde ik mij
er op een speciale manier thuis en dat is steeds zo gebleven. Een
soort moederstad der steden, met recht de eeuwige stad. Roma
Aeterna
Rome We Kome!
Een lappendeken samengesteld uit 6 Reizen naar De Eeuwige Stad