Molens op de Zoutpannen van Sicilië       

Op 16 mei vertrokken we met mijn ‘zwerfbus” voor een rondreis langs de kusten van Sicilië. Daarbij zouden wij ook enige dorpjes  zoals Rome, Siena, Firenze, Pisa en Lucca op de terugweg door Italië met een bezoek vereren. Zo op het oog heeft dat allemaal niets met molens te maken en mijn reisgenote had dan ook niet door dat ik stiekempjes een dubbele agenda had. Het was echter mijn wens om de windmolens die op de zoutpannen bij Trapani en Marsala staan eens goed te bekijken en dan is een rondreis in deze contreien een aardige en geldige aanleiding.

Rijdend naar het Museo delle Saline bij Trapani bleek vanaf de weg al dat niet één molen nog intact is. Het is één groot slagveld waar Don Quichotte zich als overwinnaar best in thuis zou voelen. Soms waren ze nog nauwelijks herkenbaar als molen en onze Don zou deze zeker niet meer aanvallen. In het museum zijn slechts wat tekeningen en losse onderdelen aanwezig die hier en daar wel herkenbaar zijn. Bovenas  en bovenwiel , schijfloop en conische wielen  , een schroef van Archimedes  ofwel vijzel, een windpeluw  en zo nog wat tierelantijnen.  Steenspillen en molenstenen (vaak zijn er twee koppels maalstenen) voor de zoutmolens. De museummolen is zelf niet toegankelijk. Waarschijnlijk een puinhoop binnen, of er is niets meer aanwezig. Er wordt nog steeds zout gewonnen maar men gebruikt elektromotoren en zgn. membraanpompen. Van “gratis” windenergie wordt helemaal geen gebruik meer gemaakt.

Volgens een molenaar op deze zoutpannen moesten er bij Marsala nog twee werkende molens zijn. Naar hij meldde een windmolen om het zeewater in de bekkens te pompen en een windmolen voor het grof malen van de zoutbrokken. De man vond het niet erg dat ik het terrein op was gegaan en zelfs in een van de molens was gekropen om wat plaatjes te schieten. Daarna moesten we wel weg want het terrein ging op slot.

De techniek van de zoutwinning is redelijk eenvoudig. Eerst wordt er zeewater in een zeer grote en ondiepe “pan” gepompt. Dit gebeurde vroeger met de windmolens die voorzien waren van een pomp of vijzel. Amerikaanse windmotoren  met een vijzel  zijn hier ook voor gebruikt, een ons welbekende combinatie. De zon en de wind doen daarna hun werk waardoor het water verdampt en de concentratie van de zouten toeneemt. 

Het Soortelijk Gewicht  van het zoute water in deze pan wordt gemeten met een zgn. Hydrometer. Hier moet nog geen kristallisatie optreden. Dan wordt het water naar een volgend, kleiner bassin gepompt. Daar wordt nog meer water verdampt en wordt het water nog “dikker”. Pas in de laatste bassins komt het tot volledige kristallisatie en neerslag. Daarna wordt het zout opgeschept en met een transportband op grote hopen gestort. Deze hopen worden afgedekt met dakpannen, want anders is er na een stortbui weinig van het zout over.

De volgende dag, dinsdag 26 mei, reden we naar Marsala een beetje met de moed in de schoenen. Dat bleek niet helemaal nodig te zijn.
Het Museo delle Saline is hier veel beter ingericht dan bij Trápani. De museummolen is ook behoorlijk gerestaureerd en goed toegankelijk voor publiek. Naar een inscriptie is dit uitgevoerd door Paolo Stampa in 1996. Jammer dat er geen mensen/molenaars aanwezig waren om die om technische uitleg te vragen. In tegenstelling tot wat de molenaar/zoutschepper gisteren beweerde (maar mogelijk schoot mijn Italiaans tekort) hebben ook hier de molens geen functie meer. Zelfs niet voor de show.  

Er staan twee molens in de zoutpannen die intact lijken maar dat zijn ze niet. Het zijn beeldjes voor de fototoerist, maar hiermee wordt in ieder geval een poging gedaan om het beeld in stand te houden. Het staat vol met allerlei molenrestanten maar die lijken allemaal ten dode opgeschreven. Allemaal erg jammer. Blijkbaar zijn er geen mensen met interesse en vooral geld om hier iets aan of mee te doen. De museummolen ziet er erg goed uit. Je kunt er van boven naar beneden helemaal doorheen. Vanaf de stelling heb je ook een goed zicht op de zoutpannen.  

De bouw van het gevlucht  is van dichtbij ook opvallend. Meestal is er sprake van drie door de houten bovenas gestoken stukken/strippen staal waaraan de wieken (enden) paarsgewijs zijn vastgezet met stroppen. Tussen de stroppen zijn bouten door en door aangebracht om verschuiven te voorkomen. Hierbij is in de houten askop een stalen pen aangebracht met een uitwendige versteviging om de askop. Tussen het eind van die pen en het eind van de roeden zijn tuidraden aangebracht om het doorbuigen van de wieken bij harde wind tegen te gaan.

Een ander systeem is om in de kop van de houten bovenas een stalen pen aan te brengen waaraan twee ronde staalplaten. Tussen deze twee platen zijn metalen strippen vastgezet met bouten. De enden zitten op hun beurt vast aan die strippen. De molens zijn “dwars getuigd”, maar je zou het ook “vlinderwieken” kunnen noemen en ze zijn te vergelijken met die van De Arkens” te Franeker. De heklatten steken door de roeden en steken in de “achterzomers”. Waarschijnlijk zeer nauw passend aangebracht want ik heb daar geen bevestigingsmateriaal gezien. Tussen de roeden en de achterzomers bevinden zich steeds twee “middenzomers”. 

Af en toe is het binnen wat krap om goed foto`s te maken maar dat is toch aardig gelukt. De techniek is in principe niet anders dan in elke andere windmolen. De molens zijn wel aanmerkelijk kleiner en zitten vrij simpel in elkaar. Ook de constructie van het staande en gaande werk is veel lichter dan wij kennen. Bij de foto`s staat het nodige commentaar en aangezien een plaatje meer zegt dan duizend woorden zal het allemaal wel duidelijk zijn.

Ik kreeg uiteraard geen uitleg van de dames hoe er gekrooid diende te worden. Ik neem aan dat men een grote houten staak of balk gebruikte om aan de buitenzijde in de houten constructie te haken die buiten de kap over het molenlichaam steekt. Binnen in de kap moeten de kettingen los en vervolgens kan met mankracht de kap worden verdraaid. De kap ligt rechtstreeks op de kruivloer met alleen vet ertussen en wordt opgesloten door een gemetselde kraag waarin de “keerkuip” ligt. Op één van de oude foto`s lijkt een houten keerkuip deel uit te maken van de kapconstructie.

Vermoedelijk wordt die keerkuip omhoog getakeld samen met de rest van de kap waarbij de stalen pennen die keerkuip vasthouden. Aan de binnenzijde van de kruivloer zijn ronde gaten aangebracht waar die stalen pennen in kunnen. Aan deze pennen worden de “bezetkettingen” van de kap vastgelegd. De wieken stonden nu met touwen vastgezet aan het molenlichaam. Ik vraag mij af of dit vroeger ook zo werd gedaan. Een bliksemafleiding heb ik niet kunnen ontdekken.
Op beide plaatsen heb ik niets gezien wat op een molenzeil leek. Ik neem echter aan dat hier op dezelfde manier mee gewerkt werd zoals bekend van Griekse en Spaanse molens van dit type. Meestal geen “volle” zeilen maar grotere of kleinere driehoeken al naar gelang nodig bleek.

Van boven naar beneden zien we in grote lijnen de volgende opbouw:

De kapconstructie waarin een “windpeluw” en een “penbalk”. Deze liggen verankerd tussen wat we “voeghouten” zouden kunnen noemen. Hier wordt ook gebruik gemaakt van “roosterhouten” en ter versteviging trekstangen. De bovenas heeft een stenen halslager zoals we die hier ook kennen. De pen is gelagerd in de penbalk.

De kammen van het schuinstaande bovenwiel lopen in een conische bovenschijfloop. Hierin is de stalen “koningsspil” vastgezet waarvan de pen gelagerd is in een “busbalk”. De koningsspil wordt bij elke vloer die gepasseerd wordt, gefixeerd en gelagerd in een houten blok dat gesmeerd wordt met vet. Op de “zolder” onder de vang is een lichte balkconstructie gemaakt die verankerd is in de muur. Op het kruispunt van deze drie balkjes wordt de spil opnieuw gefixeerd en gelagerd.  

Die vang is ook wel bijzonder. Deze bestaat uit een grote, ronde, houten “bus” om de “koningsspil” waaromheen een dik touw met een aantal slagen gewonden zit. Aan de binnenzijde is het eind bevestigd aan een verankering in de muur. Eén verdieping lager hangt aan de tegenovergestelde zijde via een katrol het andere eind. Trekken zorgt ervoor dat de “bus” als het ware gewurgd wordt en daarmee de molen gestopt. Dat zal bij deze kleine gevluchten goed hebben gewerkt. Of dat bij een “orgel” van een meter of 28 ook kan werken, lijkt mij een aardige vraag.  

Dan komen we op de zolder waar zich het “spoorwiel” bevindt. Dit wiel kan twee “steenspillen” aandrijven via de “steenschijflopen”. Ook hier zien we een soort “ravelingswerk” van balken. De twee “busbalken” sluiten de aseinden van de “steenspillen” op. Juist daaronder loopt een dwarsbalk waarin de “koningsspil” is verankerd en gelagerd. 

Op de begane grond staan twee maalkoppels. In de trechter bovenop de “loper” worden de zoutbrokken gedaan, het zout wordt gemalen en wordt opgevangen in een soort kuip waarin de “liggers” staan opgesteld. In deze liggers wordt de “steenspil” gelagerd in hout en doorgevoerd naar een constructie onder de ligger. In deze constructie rust de pen in een taatspot. Met deze constructie kan men de afstand van de loper t.o.v. de ligger verstellen zoals wij dat ook hier kennen. De stenen zijn overigens conisch van vorm zoals dat ooit begon in oude tijden.
In deze museummolen konden we ook genieten van een dvd-voorstelling over de zoutwinning en de werking van het systeem met de molens. Dat is nu niet anders, zij het dat er elektromotoren worden gebruikt voor de pompinstallaties. Er is ook een flink aantal tekeningen en foto`s uit oude tijden aanwezig waarmee een redelijk beeld wordt verkregen van hoe het er ooit aan toeging.  

Uit deze presentatie bleek dat de constructie van de molens die het zeewater verpompen vrijwel hetzelfde is als deze zoutmolens. Vanzelfsprekend hier geen maalkoppels maar een vijzel die het werk doet. De Amerikaanse windmotoren zijn dezelfde zoals we die overal elders nog steeds gebruiken. Opvallend is de aanwezigheid en vroeger het gebruik van een handbediende vijzel. Vermoedelijk gebruikt om kleinere hoeveelheden in het laatste stadium van een zoutpan te verwijderen. Nu ziet men de kleinere vijzels uitgerust met een kleine elektromotor.

Het werd door de vele molenruïnes niet bepaald het hoogtepunt van deze rondreis. Zo af en toe stond ik met tranen in mijn ogen maar dat kan ook van het zout zijn geweest. Ik vraag mij dan ook af of er in Italië of op Sicilië  TIMS-leden zijn die iets voor de molens zouden kunnen betekenen. Het zou doodzonde zijn als dit stukje industrieel erfgoed “zomaar” verloren gaat. Maar wellicht is dit ook een taak voor het grote Europa.

Dit verslag is van een “ooggetuige” die het alleen moest doen met de eigen waarneming en achtergrondkennis van een “Mio”. (molenaar in opleiding). Er kon geen informatie ter plaatse worden verkregen ondanks het feit dat de taal niet een groot probleem is. Het is dus mogelijk dat er op een enkel onderdeel een verkeerde conclusie is getrokken. Daarom op deze plaats een uitnodiging aan molenexperts om aanvullende correcties of informatie te verstrekken. 

Door het ontbreken van de Italiaanse namen voor de molenonderdelen, heb ik naar eigen inzicht Nederlandse namen voor onderdelen gebruikt en deze opgezocht in de Engelse TIMS woordenlijst voor gebruik in de Engelse versie. Een Italiaans TIMS-lid zou hier ook verbeteringen aan mogen brengen door de Italiaanse namen aan te geven.
De foto`s met begeleidend commentaar vindt u via de onderstaande link.

Jan Althof 

http://picasaweb.google.nl/Noordkaper04/WindmolensOpSicilie#

 

 

                                                                         English

HomeDe Motoren
De FJR1300a
De ZwerfbusNoordkaap 2003
Noordkaap 2004
Noorwegen 2006
Londen 2009
Sicilië 2004-10pag.
Sicilië 2009
Gibraltar 2006
Dolomieten 2005
FJR-CLUB
Garmin GPS
Italië 2002
Zes Romereizen
San Juan 2007
Spanje 1997
Portugal
CONTACT
Nuttige Links
Fotocollages
Raffinaderij
DE REUS
De Kleine Reus
Picasa Web

                       Siciliaanse Windmolens






          LET OP: Indien de pagina`s niet juist worden weergegeven, of de tekst niet onder of bij de afbeeldingen staat,
                                         kan het zijn dat u in "beeld" moet kiezen voor een andere "tekengrootte".